Suzuki Jimny testrijden
Vandaag stond in het teken van een testrit waar ik stiekem naar uitkeek. De Suzuki Jimny: een icoon, een karakterbak, een auto die op foto's charme uitstraalt en op Instagram altijd wint. Maar realiteit en romantiek botsen soms hard. Vandaag was zo'n dag.
Na vier uur onderweg te zijn geweest — heen, testen, terug — wist ik eigenlijk binnen de eerste meters al genoeg. Deze Jimny voelde niet goed. Niet "anders", niet "stoer", maar gewoon… fout.
Het begon al bij de kofferdeur: roest op de scharnieren. Geen patina, geen charme, maar echte verwaarlozing. Daarna de koude start: witte rook (en het had niks met een nieuwe paus te maken) die meteen vragen opriep. En tijdens het rijden werd het alleen maar duidelijker. Bij het schakelen van tweede naar derde leek de auto uit elkaar te rammelen. Niet het soort trillingen dat je kan wegwuiven als "typisch Jimny", maar het soort geluid dat je vertelt dat iemand deze wagen lang en hard heeft afgeragd.
Het is vreemd hoe snel je soms weet dat iets niet klopt. Je hoeft geen twintig minuten te rijden. Je voelt het. En vandaag voelde het alsof ik een dure fout aan het vermijden was.
Was het tijdverlies? Vier uur is veel. Maar eigenlijk was het een investering in duidelijkheid. De Jimny is leuk als idee, maar niet als werkpaard. Niet voor PITTKRAFT. Niet voor mijn workflow. En zeker niet voor mijn gemoedsrust.
Vandaag was geen mislukking. Het was een filtermoment. Een reminder dat dichtbij zoeken slimmer is, dat mijn tijd waardevol is, en dat de juiste wagen me rust moet geven — geen buikgevoel dat zegt "wegwezen".
Op naar de volgende. Eén die wél klopt.